Twee paden, maar het lijntje bleef

Ze ontmoetten elkaar zevenendertig jaar geleden. De een werd de leraar van de ander. Later werden ze collega’s en volgden ze elk hun eigen weg. Wat bleef is de gezamenlijke liefde voor zazen, het respect en de verwondering.

Door: Erna Heijligers


In de voormalige school waarin het Zen Centrum Amsterdam gevestigd is, word ik bovenaan de trap opgewacht door een licht kalende man in slobbertrui en -broek met een vriendelijk gezicht. We lopen door naar het bijna lege zaaltje dat dienst doet als ‘theehuis’, alwaar hij koffie zet en groene thee. Heel zen, die groene thee, maar nee, die is voor mij. Nico Tydeman drinkt koffie. Met een wolkje melk en als het even kan een sjekkie.

Wat Boeddha dronk, weten we niet zeker. Misschien laafde hij zich aan de dauwdruppels die van de bladeren van de Bodhitree naar beneden vielen of misschien brachten zijn volgelingen hem verse appelsap. Wel zijn er mensen die menen met zekerheid vast te kunnen stellen aan wie hij meer dan 2500 jaar geleden zijn leer overdroeg. Aan de hand van oude geschriften is een stamboom opgesteld van degenen die de dharma ontvingen, een stamboom die doorgaat tot onze huidige tijd.
Een visuele weergave van die boom hangt in de zendo, het zaaltje aan de andere kant van de gang. Helemaal onderaan prijkt Genpo Roshi, de leraar van Nico. In 2004 kreeg hij van deze Amerikaanse zenleraar zijn transmissie. Hetgeen betekent dat hij officieel is opgenomen in de lineage en bevoegd is om op eigen gezag de traditie van de Kanzeon Sangha voort te zetten.

In het zaaltje waar de stamboom hangt, geeft ook Maarten les. Maarten die zich nooit onder enig religieus hoedje heeft laten vangen, en die de aanleiding is van ons gesprek. Omdat hij negentig wordt en omdat hij het was die als nestor van de zen in Nederland Nico bij zijn eerste schreden op het zenpad begeleidde.
Zo’n zevenendertig jaar geleden was dat. Nico had tijdens zijn studie theologie gelezen over Karlfried Graf Dürckheim en de Duitse zenleraar/psychotherapeut een keer ontmoet in de Bilthovense Kring van Wijsbegeerte en Psychologie. Tijdens een bezoek aan hem in Duitsland, dat grote indruk op hem maakte, hoorde hij dat in Nederland ene Maarten Houtman min of meer hetzelfde ‘werk’ deed. Eenmaal terug zocht hij contact met Maarten, die hem prompt uitnodigde voor een gesprek bij hem thuis.

‘Die hippies waren naar zijn smaak te veel feestgangers’

“Een beetje streng.” Zo omschrijft Nico de eerste indruk die hij van de indertijd drieënvijftigjarige leraar kreeg. “Ik werkte toen net als staflid in de Kosmos”, vertelt hij. “Dat was een meditatiecentrum, maar tevens een ontmoetingsplek voor hippies, waar veel werd geblowd en getript. Het was een vrijplaats voor al die gekke dingen die je in de zeventiger jaren had. Ik weet nog dat Maarten vond dat de spiritualiteit daar niet echt serieus beoefend werd. Die hippies waren naar zijn smaak te veel feestgangers.”
Zelf vond Nico de sfeer van ‘vrijheid blijheid’ juist een verademing vergeleken bij het klooster waar hij, na tien jaar, net was uitgetreden. “De spiritualiteit was daar zo serieus en afgeknepen. Ah!” Hij slaakt een zucht. “Zo weinig fysiek, zo weinig feestelijk! Maar goed, sommigen vonden dat het alleen maar spielerei was, waarmee men zich in de Kosmos bezighield. Maarten was die mening aanvankelijk ook toegedaan. Later is hij er, op uitnodiging van mij, zelf les gaan geven.”

Desalniettemin klikte het bij de eerste ontmoeting en bezocht Nico vanaf die tijd de wekelijkse bijeenkomsten van Maarten in het nonnenklooster te Maarssen.
“Het zitten in zazen ervoer ik als heel erg aangenaam”, zegt hij, “en ik vond wat Maarten zei zeer, zeer goed. Voorafgaand aan de meditatie deden we lichaamsbewustzijnsoefeningen. Alles bij elkaar deed het me wat.”
Daarnaast volgde hij in de Kosmos af en toe een cursus of workshop. “Er kwamen lama’s en goeroe’s langs in alle soorten en maten. Ram Das kwam er, Timothy Leary is er ooit geweest en hoe heet die dolfijnenman ook al weer?” Maar er was geen zen. Drie jaar lang reisde hij dus consequent één keer in de maand op zaterdag naar Maarssen.

Totdat er, in zijn eigen bewoordingen, ‘iets anders gebeurde’. “Ik las het boekje ‘Zen Mind, Beginner’s Mind’ van Shunryu Suzuki. Deze zenmeester had in San Francisco een zencentrum gesticht en omdat ik dat boek zó goed vond, ben ik daar in 1976 heen gereisd. Hij was zelf wel vier jaar daarvoor overleden, maar zijn opvolger, Baker Roshi, had de leiding van het centrum overgenomen. Ik ben er zes maanden gebleven. Nadat ik in San Francisco geweest was, ben ik met de lessen van Maarten gestopt.”

‘Die intellectuele kant, daar houd ik van’

Het was vooral de cultuur van de zentraditie die hem aantrok. “Met cultuur bedoel ik alles wat er aan teksten is,” zegt hij, “de wijze waarop zazen benaderd wordt, de kunst, het zingen van sutra’s... Laat ik het zo zeggen: zen is óók vorm. En Japanners zijn heel goed in vormgeving. Wij vinden dat vaak een beetje : hoe je je moet gedragen, hoe je moet lopen, en zo voort. Maar heel veel van die vorm kan ik waarderen.”
De hele boeddhistische traditie met zijn rijkdom aan geschriften raakte hem. “Ook had ik, tijdens de studieklassen van het centrum in San Francisco, Dogen leren kennen, één van de grote zenleraren uit het verleden. Later ontdekte ik de koan-studie. Die intellectuele kant, daar houd ik van. Sommigen nemen me dat kwalijk, maar ik vind dat je een intellect hebt om het te gebruiken. Óók voor je spirituele ontwikkeling.”

In 1980 ontmoette hij de Vietnamese monnik Thich Nhat Hanh, die in Frankrijk nog steeds een boeddhistische gemeenschap onder de naam Plum Village leidt. “Met hem heb ik drie jaar opgetrokken. Ik heb hem naar de Kosmos gehaald. Daar gaf hij dan workshops mindfullness, want dat was voor hem het sleutelwoord. En vooral lopen. Hij zei altijd: ‘Zitten is moeilijk, maar lopen kan iedereen.’ Ikzelf was vooral door dat zitten geraakt; dat viel me dan wel weer tegen.”
Dus na drie jaar ging ook dit avontuur voorbij. Maar toen Genpo Roshi ons land met een bezoek vereerde, was het definitief raak. “Hij was van plan om zich hier te vestigen”, vertelt hij. “Toen heb ik tegen hem gezegd: ‘Als jij naar Nederland komt, word ik je leerling.’”
Helaas keerde Genpo Roshi na een half jaar weer terug naar zijn geboorteland omdat zijn vrouw en kind niet konden wennen. Maar Nico hield zijn woord en Amerika werd opnieuw zijn uitvalsbasis.

‘...ik noemde het ook wel “illegale zen”’

In de tussentijd had Maarten verschillende groepen in Nederland opgezet en de Stichting Zen als Levenswijze opgericht, waaraan hij, naast zijn werk als graficus aan de Grafische School in Utrecht, zijn tijd besteedde.
Ook Nico was inmiddels op aanraden van Thich Nhat Hanh begonnen met het geven van lessen. “Ik voelde me nog geen zenleraar in die tijd”, zegt hij. “Het was een heel informeel groepje van misschien zes, zeven mensen. Ik noemde het ook wel ‘illegale zen’.”
Veel contact hadden de beide mannen niet onderling. Ook niet toen Maarten in het kader van de zogenaamde Kosmos School eveneens in het alternatieve centrum les kwam geven.
Toch bleef er een lijntje bestaan tussen de twee. Dat bleek wel toen begin jaren ’90, toen Nico inmiddels sterk verankerd was in de leer van Genpo Roshi en Maarten onder meer de taoïstische oefeningen van Mantak Chia in zijn lessen had geïntegreerd, Maarten met een voorstel kwam. Hoe zou Nico het vinden om maandelijks bij elkaar te komen voor een gesprek over de materie die hen beide zo raakte?

Maarten die wars is van alles wat naar religie of geïnstitutionaliseerde spiritualiteit ruikt, leek tegelijkertijd nieuwsgierig naar hoe er in de zencultuur tegen bepaalde zaken werd aangekeken. Ook Nico zag de waarde in van een uitwisseling met de eigenzinnige leraar van weleer.

‘Af en toe voelde ik dat hij me met een warm medelijden bezag’

“Dus we spraken af in mijn huis aan de Mercatorstraat, hij zette de bandrecorder aan, en dan begonnen we maar te praten. Voorbeelden van vragen die hem dwars zaten en waar we het over hadden, waren: Is het werken met koans niet te veel met wilskracht gemoeid? of Wat betekent het dat een leerling zijn leraar volgt? Is dat niet het afschuiven van je eigen verantwoordelijkheid? Daar konden we goed over praten.”
Wel stond Maarten af en toe met zijn oren te klapperen als Nico vertelde over hoe het er bij hem in de Kanzeon Sangha aan toeging.
“Het heeft bijvoorbeeld heel lang geduurd voordat ik de transmissie van Genpo Roshi kreeg. Dat kon niet anders want je hebt met twee mensen te maken. Maar er gebeurden ook wel eens dingen, dat ik me als leerling achter de oren krabde. Dat je denkt: wat doet-ie nou weer!
Daar komt bij dat er in een sangha ook altijd van alles gaande is. Iedereen is gericht op die ene leraar en dat betekent dat er onderling gevoelens van jaloezie spelen en dat er concurrentie is. Ellebogenwerk, ja. Wie staat er het dichtst bij de leraar? Al dat typisch menselijke moet je allemaal maar uit zien te houden. Maarten zag wel dat dat soms heel zwaar was voor mij. Hij luisterde vol verwondering en af en toe voelde ik dat hij me met een warm medelijden bezag.”

Die arme stakker die geknecht is voor zijn hele leven...
Lachend: “Ja, volgens mij heeft hij zoiets wel eens gedacht. Maar het was een weldaad om het er met hem over te hebben, want alles zat mij af en toe tot hier. Dat contact heeft mij altijd heel erg goed gedaan. Want ook al had Maarten soms iets van ‘moet dat nou allemaal’, hij heeft wel altijd respect gehad voor de weg die ik ben gegaan en me nooit gemaand om uit de Kanzeon Sangha te stappen.”

‘Hij staat op zichzelf en daar is moed voor nodig’

Zelf zegt Maarten zich altijd met zijn praktijk een buitenstaander in de zenwereld te hebben gevoeld. Maar dat is volgens Nico maar ten dele waar. “Aan de ene kant wel, aan de andere kant niet. Zijn praktijk komt duidelijk voort uit de zentraditie, maar hij is daarmee zijn eigen weg gegaan. Daarbij heeft hij geen goedkeuring nodig gehad van anderen. Hij kon het dus op zijn manier doen en hoefde aan niemand verantwoording af te leggen. Wel is het binnen de zentraditie enerzijds not done om zelf je leraarschap neer te zetten.  De dharma, de leer, moet je krijgen. Die pak je niet zelf. Anderzijds is de dharma geheel vrij. Dat betekent dat iedereen haar kan leren en verkondigen. Je ziet ook wel vaker mannen en vrouwen op eigen gezag onderricht geven. Krishnamurti , Eckhart Tolle, Byron Katie. Hoe zit het met Osho? Vimala Thakar... Er zijn er nogal wat!”

Bewondert hij Maarten om zijn moed en kracht of vindt hij hem ergens ook een beetje eigenwijs?
“Maarten is zeker eigenwijs”, bevestigt hij. “Eigenzinnig.  Maar ik heb er bewondering voor dat hij niet voor een traditie heeft gekozen, want het maakt dat hij in een heel kwetsbare positie zit. Ik kan altijd nog zeggen: ja jongens, ik heb mijn leraren achter me staan en een officieel briefje...” Hij maakt een gebaar alsof hij een stempel zet. “Maar wat zegt dat? Zo is het ook wel weer. Hij staat daarentegen op zichzelf en daar is moed voor nodig.”

Toch houdt ook Nico een slag om de arm als het om geïnstitutionaliseerde godsdienst gaat. “Als je een volmaakte religie wil, zul je hem zelf moeten uitvinden”, zo luidt zijn parool. Verder heeft hij zich nooit willen vestigen binnen de gemeenschap van Genpo Roshi. Tien jaar groepsdynamiek en gebrek aan privacy in het katholieke klooster waren ‘meer dan genoeg’.
Wel erkent hij dat de gehoorzaamheid aan de leraar cruciaal is binnen de Kanzeon Sangha. Nico: “Wat dat betreft ben ik blij dat ik een Amerikaanse leraar heb gehad. Ik weet niet of ik het zo lang bij een Japanner had volgehouden. Je merkt natuurlijk wel dat Genpo Roshi door zijn eigen leraar (de Japanner Maezumi Roshi) is beïnvloed. Japan is een hiërarchische, formele samenleving met alle gevolgen van dien. Je kan alles uithalen wat je wil, zolang niemand het maar ziet. Die monniken kunnen er ook wat van, hoor. Die sluipen ’s nachts ook de tempel uit op zoek naar vrouwen of een kroeg. Maar de leraar-leerlingverhouding is: je gehoorzaamt je leraar, je volgt hem en je spreekt hem nooit of te nimmer tegen.”

‘Of ik zelf verlicht ben? Ik denk het niet!’

En plaats hier nu eens het motto van Maarten tegenover: ‘geloof mij niet, maar onderzoek het zelf’. Iets wat hij zijn leerlingen in bijna elke les op het hart drukte.
Nico: “Nou kijk, dat zegt mijn leraar ook wel. Maar toch... je volgt hem. Het is niet dat ik daar geen moeite mee heb. Iedereen heeft daar moeite mee. Maar een van de dingen die we leren is om je mening te doorzien en je ideeën op te geven. Met name je ideeën over het pad moet je kwijt. Je zou ook kunnen zeggen dat je dat ‘ik’ moet kunnen verliezen.
Als je dat zo hoort, dan zeg je: ja, natuurlijk want daar heb ik juist zo’n last van; dus vanaf vandaag, weg ermee! Nou, iedereen weet, zo werkt het niet. Sterker nog, je kunt op een gegeven moment voor jezelf denken dat je je ik hebt opgegeven. Alleen hoe weet je dat, hè?”
Hij lacht alsof het een goede grap is. “Dat is een van de dingen die je niet kunt weten. Of ik zelf verlicht ben? Ik denk het niet!”

Een ascetische zenleraar die de wereldse geneugten achter zich heeft gelaten, is hij evenmin. De Zware van Nelle ligt binnen handbereik. Een kop koffie met een sigaretje, dat moet kunnen, vindt hij. Enthousiast: ‘En whisky!’
Zijn leerlingen weten dat, zegt hij. “Ik heb geen geheimen. En soms zit ik ook te tobben. Of ik heb een conflict met iemand. Daar moet je weer uit zien te komen, maar dan gebeurt het ook wel eens dat je woedend wordt.”
En daarin lijkt hij dan wel weer op Maarten, die zo vaak benadrukt dat hij het belangrijk vindt dat zijn leerlingen hem zien als een gewoon mens met alle bijbehorende emoties en eigenaardigheden.
Iets waar Nico zich goed in kan vinden. “Ik zeg ook graag: als je zen beoefent, word je geen heilige, maar hopelijk word je wel een echt mens. En  een echt mens is af en toe jaloers of kwaad, ziet het soms niet zitten en gaat wel eens uit zijn dak.”

“Eigenlijk willen we stiekem allemaal een beetje heilig worden”, zegt hij. “Ik denk - en daar is Maarten heel goed in - dat het er niet om gaat dat we ons leven of ons karakter overstijgen, maar dat de essentie vooral zit in de erkenning van wat we zijn. En dat we dat als leraar ook durven laten zien. Er is een heel mooi zinnetje van Shunryu Suzuki: ‘Onze leraren onderrichten ons met hun karakters en hun inspanningen.’  Ik  krijg het niet beter gezegd.”


Uit: ‘De Tao van Zen’, feestschrift bij Maarten’s 90e verjaardag, Stichting ‘zen als leefwijze’, 2008