Kaalslag van de geest


We beginnen te zien dat milieu en natuur door het ingrijpen van de mens van binnenuit wordt vernietigd, het aantal soorten vermindert, het broeikaseffect met daardoor een definitieve klimaatverandering wordt wereldwijd erkend.
Door massaal bomen, struiken en grassen te planten (deden we dat maar), hebben we de veelheid en variatie niet terug noch de ademende werkelijkheid van het op elkaar afgestemde en ondersteunende geheel.
Deze kaalslag is niet moedwillig tot stand gekomen, zeker niet, maar we zagen teveel ons eigenbelang op de korte termijn, die de grote natuur in zijn veelzijdige levengevende hoedanigheid niet kon zien.
Aan de kaalslag in de natuur is de kaalslag van de geest voorafgegaan.
De geest moet eerst de gelegenheid krijgen zich te herstellen.

We weten uit de natuur, dat voor herstel van bossen vele tientallen jaren, soms meer, nodig zijn waarin wij er niets aan doen, opdat de ‘de grote natuur’ (de kracht van de Oorsprong) opnieuw kans krijgt zijn nog steeds ondoorgrondelijke werk te doen.

Dit geldt ook voor de geest: die zal de gelegenheid moeten krijgen zijn rusteloze omzwervingen te beseffen en in zichzelf te rusten, zodat hij vernieuwd door de Oorsprong vanuit het geheel kan leven en handelen.
In de meditatie is het niet anders: handelen, werken, luisteren en spreken, kijken en oordelen moeten verankerd zijn in die woordloze oplettendheid waarin belangrijk en onbelangrijk niet bestaan en alleen de urgentie van het moment geldt.
Alleen zo doorbreek je de monocultuur van het ‘gewenste’ en hoed je je voor het willen leeg of stil worden.