Kosovo


Kosovo, wat een gruwelijke oproep aan ons geweten van alledag.
We zien en horen erover, we denken erover, we lezen of horen de meningen van anderen erover, gewone mensen en deskundigen; er blijft een gruwelijk gevoel van onmacht over, terwijl onze adem gewoon uit- en in blijft gaan, soms onrustig en oppervlakkig als de onzinnige gruwel opnieuw met een golf tot ons doordringt.
Het lijkt of dat het enige is en wij per ongeluk mogen doorleven.
Waarom wij wel, en velen daar niet?
En de meditatie die we voor dit leven op ons genomen hebben, dag aan dag, al is het maar een uur of iets meer of minder. Geeft dat antwoord?
We wachten, kalm en helder, zoals het hoort.
Is dat zo of hebben we onszelf bedrogen, in commissie, aangemoedigd door de heilige schriften, al dan niet voorzien van commentaar door de patriarchen?

Nog een paar dagen, het begint duidelijk te worden. Er is geen antwoord in de wereld die we ons van seconde tot seconde verbeelden. Een wereld die alleen maar in ons bewustzijn bestaat in reactie op een wereld die wij niet kennen maar die voortgaat te ontstaan en te vergaan. Dat is zeker, onomstotelijk waar.
En in dat onophoudelijke ontstaan en vergaan staan we elkaar naar het leven, heel subtiel, zó dat we de tijd hebben erover te filosoferen, tot heel bruut en meedogenloos, zodat we met haat en woede dit aardse leven verlaten.
Moet dat altijd doorgaan, dan op deze dan op die plek, soms enkele jaren, soms heel, heel lang, zodat een generatie opgroeit in angst, haat en woede?
Is dat de bedoeling van het leven, mijn leven dat ik blijkbaar nauwelijks ken?

Ik kan radeloos worden en het uitschreeuwen, maar er verandert niets.
Wachten, heel geconcentreerd, zonder vraag wachten.
M’n adem gaat steeds langzamer uit en in. Alle woorden, meningen, vermaningen en voornemens verliezen hun betekenis. Alleen het doorgaan blijft.

Zonder dat ik iets doe word ik naar binnen getrokken, waar niets van het bekende is. Zelfs de energie die steeds duidelijker door mijn lichaam stroomt, voelt anders, niet van mij. Hij stroomt onophoudelijk vanuit het geheel, waarvan ik de omvang niet kan bevatten, door me heen en keert terug, in één ononderbroken stromen, dat alles mogelijk maakt dat wij leven noemen, vanaf de nietigste microbe tot het onvoorstelbaar gecompliceerde leven dat voor een korte poos op aarde mag zijn.

Zelfs het gezuiverd worden van al mijn voorstellingen is niet mijn werk. Het voltrekt zich door me heen. Ik bied alleen geen weerstand.
Misschien is dat het begin van een antwoord. Een stamelend, bijna onmachtig antwoord. Iets dat gedaan kan worden, met alle onvoorziene pauzes tussendoor. Maar wel steeds opnieuw, zonder het zogenaamde gewone leven  met zijn reacties op wat buiten en binnen me gebeurt, te ontkennen.

Voortdurend te weten dat het nodig is jezelf te vergeten, zonder je te hechten aan het volgende, gedreven door het automatische in bezit nemen van het ik .
In mijn ongelofelijk bevoorrechte positie is dat het minste dat ik kan doen, in het besef dat het dit zelfvergeten vraagt, niet voor een bevlogen moment maar steeds opnieuw, ook al zal dat moeilijk zijn, gebrekkig als ik ben.

Tijdschrift ZEN Nr. 78, zomer 1999