De Toendra en het Andere


De man was al bijna drie maanden in het huis, het huis aan de rand van het bos met aan de einder de toendra.
Hij had voor drie maanden leeftocht.
Maar de laatste dagen hadden geen verlossing gebracht.
Waar hij ook was - in het bos, in het huis, aan zijn schrijftafel, in bed, zelfs als hij een brief aan zijn geliefde schreef - bleef de toendra, hij was de toendra.

Hij probeerde aan andere dingen te denken -  de laatste nacht met zijn geliefde -  maar wat hij voelde was lucht die hem omspande, of een moeras waarvan hij de slijmerige diepte voelde bewegen, en soms een felle wind die tot in het merg ging of de stilte vlak voor de schemer, aan het begin van de nacht, waarin het ongeziene het overnam.
In de schemer begon de vermomming voor de nacht al -  de nacht met de sterren en soms alleen maar een stille maan, die peinzend alles herhaalde wat de toendra toebehoorde.

Hoe kon je nog ooit tussen de mensen zijn, met hun haastige woorden en korte gevoelens, die niet eens tot de volgende voetstap reikten.
Zelfs de zeldzame, snel voorbijtrekkende stemmingen in de schaarse elzenbosjes, waar de kille wind minder in kon doordringen en waar in de kleine kreekjes de waterdieren uitbundig rumoerden, zich koesterend in de beschutting, zelfs daar met de warmte en geborgenheid in je rug ontmoette je de toendra, die je onverbiddelijk omsloot in zijn broedende zwijgen.

Die kleine onderbrekingen van die onvermurwbare aanwezigheid voelden lang en rijk vergeleken bij de gevoelens van de mensen.
En dan dat hele lange pad, dat altijd verder lopende pad, dat in cirkels in de toendra liep, waarin zelfs de beesten verloren raakten in die duizend maal duizend grotere toendra, die wijder en aanweziger was dan zij ooit konden zijn.

De dieren voelden altijd, wat de man nu ook voelde, dat heel diep onder de toendra de ongebroken duisternis heerste, die in de moerassen vanuit de dikke zompige diepte langzaam omhoog borrelde, om tenslotte voorbij de wortels van de kleine waterplantjes aan de oppervlakte te komen, waar zij tegen de hemel aankeek en haar duistere kracht verloor.
Maar de toendra, die ook van de duisternis was, nam de hemel in zich op en versluierde haar. De onmetelijke pracht werd niet groter dan de toendra zelf, die zich slinks voedde met het hemelse.

Dat moest al duizenden jaren zo gegaan zijn dacht de man en hij keerde terug op zijn schreden, naar de hut. Maar met elke stap dichterbij nam de toendra meer bezit van hem.

De man ging naar de haard, deed er een paar verse houtblokken op en stak het aan met het laatste papier.
Hij voelde de soppige zuiging aan zijn voeten en de droeve klacht van een eenzaam voorbijwiekende vogel en het ruisend naderen van de regen.
Hij kon het niet eens opschrijven, terwijl hij daarvoor gekomen was.
De man dacht, als ik terugga naar de stad kan ik het misschien opschrijven, maar hier...hier kan het niet.
Hier is het, altijd en overal.
Het is dwaas om het op te schrijven.
Je beschrijft toch ook wat binnenin je ogen gebeurt.
Het vuur was nu hoog.
Opeens viel een houtblok uit de gloed. Het knetterde en sintels vlogen wervelend de schoorsteen in.
De man schrok zó dat alles weg was.

Hij begreep dat alleen een intense ervaring de obsessie kon uitwissen. Daarna viel je meestal terug in wat je denken en voelen je voortoverde zonder dat je besefte dat ze dat deden. Ook leegte en stilte konden er alleen maar zijn als je niets meer verwachtte.

Alles wat hij over de toendra op zou schrijven, straks in de stad, ver weg van zijn macht, was uit zijn herinnering en hij wist niet of het dan nog leefde, maar hij zou het toch proberen.

Toen zijn tijd om was ging hij terug.
Hij voelde zijn hart bonzen toen hij bij zijn geliefde aanklopte.
Ze was sprakeloos van blijheid.
Hij voelde haar blijheid nog heviger dan zijzelf, dacht hij.
- Waarom schreef je zo weinig en steeds alleen over de toendra?
Voor haar bestond natuurlijk alleen de man die was weggegaan - de man van de toendra was een ander. Hij probeerde zich de man te herinneren die van haar was weggegaan, maar het lukte niet.
Hij had haar nog steeds in zijn armen, met haar gezicht tegen het zijne.
Na een paar keer slikken zei hij:
- Ik kon daar niet loskomen van de toendra... ik kon je alleen vertellen hoe de toendra mij bezat. Dat was het enige dat ik kon doen.
Hoewel ze het bonzen van zijn hart door haar bloesje heen voelde, leek het alsof hij haar vanaf een afstand in zijn armen hield -  een voortvluchtige die een moment hier was.
- Ga je straks weer terug naar de hut, of...
- Nee, ik blijf hier om alles, voor zover het mogelijk is, op te schrijven.
Misschien verdien ik er voldoende mee om samen van te leven.
Voor ze het wist zei ze,‘dat zou heerlijk zijn’.
Het leek haar dat hij van een afstand toch dichter bij haar was dan vroeger.
Er was nu ruimte voor haar eigen leven, in het zijne.

Williams leunde peinzend achterover. Hij legde het boek naast zich op het leestafeltje. Tegenover hem, flauw verlicht door een matte avondhemel, torende de flat aan de overkant, met alle raamvlakjes die van binnenuit al verlicht waren als een wonderlijk willekeurig mozaïek, dat telkens veranderde.
Aan, aan, aan, uit, aan, uit, aan. Mensen die kwamen en gingen, onzichtbaar, ieder met z'n eigen leven. Deelnemers aan een lichtstructuur die henzelf ontging.
Daaronder gromde, met golfuithalen, het altijd doorgaande verkeer. Verstrengelingen en ontwarringen, stuwingen, maar uiteindelijk voortgang.

Het congres van vanochtend, waar hij zelf ook een spreekbeurt had vervuld ging over ‘De angst van het Ik’.
Wonderlijk dat Ik met een hoofdletter werd geschreven.
Het was wel de hoofdaandacht, maar...
In het verhaal dat hij net had gelezen speelde het ook een rol, maar daar werd het tijdelijk gewist, geconfronteerd werd met het Andere.
Daar hadden ze het op het congres niet over gehad.
Wel dat de basisangst van het ik uit de zelfhandhaving voortkwam en dat het erom ging het zo te kanaliseren, dat het zo min mogelijk schade aanrichtte aan andere ikken.
Maar opgenomen, zoals de man voor het haardvuur daar had hij noch een van de collega's bij stilgestaan.
Hij moest plotseling lachen.
Natuurlijk, dat was het: je kon er niet mee geholpen worden, het was een uitdaging en een geschenk vanuit het Andere, voor jou zonder iets ertussen.
Zijn werk en dat van zijn collega's was tussen ikken, al was er wel een besef dat er nog iets anders meespeelde, iets ongrijpbaars. En soms als het heel intens was zoals met Josefine, toen ze beseften dat ze nog heel lang samen zouden zijn, werden acties vanuit het ik vervalsend, vertragend en soms vernietigend.

Ja, hij zou doorgaan met z'n werk, maar wel met het besef dat hij beter moest opletten waar vermoedens omtrent het Andere bovenkwamen. In ieder geval moest Josefine de ruimte krijgen om haar eigen werkelijkheid te vinden, niet belemmerd door zijn verlangens of verwachtingen.
Zou hij daarvoor op reis moeten gaan, zoals de man die door de toendra opgenomen werd?
Hij was bijna zeker van niet.
Over een half uur zou Josefine terug zijn.

Hij keek naar het verspringend  oplichten en donkeren van de raamvlakjes.
Josefine had zich nu al in de stroom begeven. Ze zou telkens opgehouden worden, maar uiteindelijk zou ze hier zijn.
In het Andere bleef je bij elkaar, waar je ook was.
Uit elkaar gaan en elkaar weer vinden, een ander vinden en weer geboren worden en ook weer sterven -  sterven was niet dramatisch.
Vanuit het Andere was de schepping een uit-aan dat niet in de tijd eindigde.
Hij hoorde de lift stoppen... het was heel stil.
Ze zou zo direct wel komen binnenwandelen.


Oorspronkelijke verschenen onder de titel: 'Ruimte voor een ander'
in: SFINX, themanummer 'Angst', 19e jaargang nr. 2 , april 1990;