Het Principe


Om de adem- en energieoefeningen te kunnen doen moet je beseffen dat je in alles wat je doet, ziet, hoort, voelt en denkt, gebruik maakt van iets dat je niet kent, zelfs niet merkt.

Ter verduidelijking:
Als ik naar een boom kijk valt het beeld daarvan op mijn netvlies. Via kleine gezichtscellen wordt het beeld naar het bewustzijnscentrum in het hoofd geseind. Pas dan kan ik zeggen: ik zie een boom.
Dit overseinen gebeurt razendsnel terwijl het beeld tevens wordt opgeslagen in het geheugen, of wanneer er al een bijna eender beeld in het geheugen is, er de net iets andere karakteristiek aan wordt toegevoegd.
Dit razendsnelle uiterst gecompliceerde proces is mogelijk door een magnetische impuls, een bijzondere vorm van de levens- of oerenergie die ons, zolang als we leven, ter beschikking staat.
 
Vanaf de conceptie manifesteert deze geheimzinnige levenskracht zich in de bevruchte eicel (de bevruchting is dus het manifestatiebegin, dat via onderzoek van buitenaf vastgesteld kan worden), en gaat vervolgens verder in de foetus via de werkingen van verschillende energielichamen of matrixen tot de complete baby geboren kan worden.
Een helderziende kan die verschillende stromende energiematrixen zien. De baby groeit verder en leert de wereld om zich heen benoemen en reproduceren in de taal, waarvan de beelden of voorstellingen en de structuur ervan gegeven zijn in een, volgens de taalgeleerde Chomsky, reeds bij de geboorte aanwezige ‘voorkennis’.

De hele opgroei tot volwassenheid is het leren kennen van de uitingen van het energieproces in het eigen lichaam en alle andere levensverschijnselen.
Wat een raadsel blijft is de structuur en tijdsvolgorde waarin deze energiematrixen het lichaam en het bijbehorende bewustzijn laten ontstaan.
 
Wat je betreurt bij het sterven van een geliefd mens is het beeld van die mens, zoals die zich in zijn/haar leven aan jou gemanifesteerd heeft. Wat de plaats en betekenis van dat wezen in het geheel van de ongemanifesteerde werkelijkheid is, besef je in je verdriet erover niet. Besef je dat wel, dan zou dat verdriet er heel anders uitzien: een eerbiedig getuige zijn van een tijdloos gebeuren dat in de tijd plaats heeft.
Iets dat zich onophoudelijk myriade-voudig in de schepping voltrekt.

Deze exercitie in wat dagelijks gebeurt is nodig om je bewust te worden van je wijze van benadering, zodat je gaat beseffen van waaruit je ervaart, oordeelt en handelt.
Je ontdekt dan dat je vanuit het bekende, vanuit het verleden en de in het geheugen opgeslagen kennis werkt en daarmee nooit de steeds veranderende werkelijkheid van het leven kunt ervaren.
Die veranderende werkelijkheid kun je alleen ervaren zonder de dode kennis van het verleden in een houding van niet-weten en aandachtig toezien.
Deze houding is nodig om onze adem en in het verlengde daarvan het stromen van de energie in ons lichaam te kunnen ervaren.
Maar dat betekent dat je je steeds voor moet houden dat wat je gewoon bent van de levensprocessen te ervaren, een waarneming of ervaring van buitenaf is, van de door zijn afgescheiden ik-bewustzijn begrensde mens.

Deze uiteenzetting lijkt omstandig, maar is nodig om niet van meet af aan scheef in de oefening te staan en iets te proberen dat tot mislukking is gedoemd.
Als je je niet bewust bent van wat je al oefenende bestudeert, kun je jaren lang bezig zijn met een zelfgeschapen drogbeeld (geholpen door de verschillende bestaande religieuze voorstellingen) dat nooit een ervaring kan zijn, die over sterven en geboren worden heenvoert.
Die tijdloze ervaring, die je niet begrijpen kunt, doet zich voor als een opgenomen zijn in een ongedeelde volheid, die geen binnen of buiten kent en waarin al het levende, verbonden en elkaar beïnvloedend bestaat en tevens in voortdurende transformatie verkeert (waarbij de snelheid van transformatie voor de verschillende levens gebieden verschilt).
 
Als zodanig is er dus geen begin of eind, hoewel voor onze beperkte waarneming het begin bij de geboorte ligt en het eind bij de dood (het begin en het eind van een bepaalde bewustzijnstoestand).
 
Het voorgaande lijkt abstract voor ons voorlopige bewustzijn, moet het ook zijn, omdat wij de waarnemingsmogelijkheid vanuit het niet-weten nog niet tot ontwikkeling hebben laten komen.
De nadruk ligt op ‘laten komen’, niet op ontwikkelen.
Ontwikkelen doe je vanuit het bekende, vanuit het door opvoeding en leren ontstane bewustzijnsbestand en de daaruit voortkomende ervaringen. Alles wordt dus ervaren door een in de tijd gevangen bewustzijn.
 
De wereld waarin je leeft is een verstarde momentopname van het onophoudelijk veranderende en transformerende leven. Een onbeweeglijke spiegeling van een bewegende werkelijkheid.
 
Al onze doelen, overwinningen en nederlagen, verdriet en vreugde, woede en agressie worden in die spiegeling, beleefd, waarbij ze zich voordoen als concrete werkelijkheid.
Dit geeft al aan dat meditatie een volledige salto mortale of mutatie moet zijn zonder dat het tijdgebonden bewustzijn wordt ontkend.
Het is dus een ‘en-en’ beleving die beide werkelijkheden recht doet. Deze in eenvoudige spreektaal weergegeven gang van zaken is meer gedetailleerd verbeeld in de tien plaatjes van de os uit de zenliteratuur.
 
Ik hoop dat het ook duidelijk is dat de uitputtingsslag van een zit- of loopmarathon of de wanhoop bij de koanbeoefening niet nodig zijn om van meet af aan de ultieme uitdaging op een intelligente wijze aan te gaan.
Maar juist omdat ze zo voor de hand liggend en simpel is, en geen enkel te bereiken resultaat in het vooruitzicht stelt en ook geen enkele zekerheid biedt (waar de werkwijze van ons tijdsbewustzijn om vraagt) blijkt het in de praktijk moeilijk te zijn.



De Praktijk


In het kort komt het neer op het kunnen volgen van wat in de meest nabije levensprocessen - de ademhaling en energiestroming - plaats heeft zonder je er vanuit het denken, voelen, en de bestaande voorstellingen, in te mengen, noch er iets van te verwachten. (iedere verwachting is uit het bekende, gefixeerde verleden)
Hierbij stuit je direct op het hoofdobstakel: de schijnbare onmogelijkheid om alleen maar waar te nemen en het over te laten aan wat zich wil voordoen (iets wat je niet in de hand hebt).
In andere woorden je volledig overgeven aan wat plaats heeft buiten je wil en verwachting om.
 
Als je aan meditatie begint heb je natuurlijk verwachtingen, anders begin je er niet aan (en de verschillende systemen vertellen je ook wat je kunt bereiken), maar als je hebt ingezien dat dat noodzakelijk tot een illusie moet leiden, kun je steeds weer terugkeren naar wat plaats heeft in de adem (het meest nabije en invoelbare leven).

 Hoe de kwaliteit van de adem is, hoe die werkt, op diepte komt, langzaam of snel is, zacht of krachtig, onrustig of gelijkmatig, zonder dat je aan een van deze ademtoestanden voorrang verleent.
Ook rol je moeten ervaren wat er gebeurt als je de adem naar de onderbuik en bekkenbodem drukt en hoe je beleving en stemming daardoor verandert. Of het je een groter gevoel van vrijheid geeft of van inperking.
Hieruit volgt dat je niet alleen op je bankje of kussen moet oefenen maar moet proberen telkens in de dag in allerlei stemmingen op te merken hoe je adem is. Bijvoorbeeld op te merken wat er gebeurt als je blij bent of verdrietig, geërgerd of boos, en of die stemming verandert als je de adem in de onderbuik brengt.
Dat er dan een verandering optreedt staat vast, dat hebben duizenden voor jou ervaren, maar hoe die verandering er voor jou uitziet is niet voorspelbaar en kan alleen maar door jou worden ervaren. Waarbij het belangrijk is die verandering niet in een conclusie vast te leggen, omdat dat je je dan de mogelijkheid ontneemt bij een volgende keer nieuw te ervaren, en daar ging nu juist om.
 
Door die steeds herhaalde poging de adem te volgen en daarmee de drijfveren van ego tussen haakjes te zetten, komt er vanzelf een kalmte over je gepaard aan een grotere aandacht voor alles wat je ontmoet en overkomt. Een aandacht die voorbij gaat aan de categorieën van belangrijkheid in je geconditioneerde bewustzijn.
 
Je wereld wordt dus zonder vooropgezette poging ruimer en vanuit die grotere ruimte, die steeds meer gebieden omvat, krijg je een steeds omvattender aandacht, die wat buiten en binnen gebeurt tegelijk waarneemt.
Daaruit ontstaat een innerlijke dialoog die woordloos dieper kan doordringen in het wonderlijke bestel van het leven, zoals het zich voltrekt, buiten je wilsmatige inmenging om, terwijl tegelijk duidelijk wordt wat die inmenging vernielt en belemmert.
Maar omdat je dagelijks opmerkt hoe agressie, veroordeling, afgunst en jaloezie in jezelf ontstaan, als je wordt bestuurd door het ik-bewustzijn met zijn zelfbehoud en territoriuminstinct en de daarmee samenhangende voortplantingsdrift (we noemen dat seks in al zijn variaties), weet je ook wat je te doen staat en raak je een heel stuk machteloosheid kwijt, terwijl je je toch medeverantwoordelijk blijft voelen voor wat er in de wereld gebeurt, schijnbaar buiten jou toedoen.
Hoe verder die durende meditatie in je voortschrijdt door je steeds aandachtiger leven, hoe duidelijker het wordt dat je bewustzijnstoestand rechtstreeks te maken heeft met de beweging van het wereldbewustzijn, dat meer of minder wordt gehinderd of geholpen door de wijze waarop jij leeft.
Dat is een besef dat zich ogenblikkelijk voordoet en waaraan je niet kunt twijfelen.

Je merkt dat het steeds verder doordringen in het mysterie van het leven je hoofddrijfveer wordt, wat je ook mag ontdekken, want het gaat er je niet om het te gebruiken voor een van de doeleinden van het ik (iets wat jammer genoeg nog vaak gebeurt).
Je kunt je bijvoorbeeld superieur voelen of verder op de meditatieweg, terwijl je zou kunnen beseffen hoe weinig je nog maar gezien hebt en hoe ondenkbaar complex het leven in zijn vertakkingen en werkingsgebieden is.
Je kunt alleen maar verdergaan en waar dat nodig is van dienst zijn, wetende dat zelfs die dienst door je heen werkt en niet van jou komt.

Dit is, voor zover ik het ervaren heb, het enige waartoe meditatie dient in het verband van het geheel dat we niet vermogen te begrijpen.

Twee teksten als bijlage voor het weekend van 20 t/m 22 augustus 1999 te Maarssen.