Beste mensen, 

Zoals ik ook de vorige keren al stelde geef je door wat je bent,
onafhankelijk van de methode of techniek die je toepast.
De techniek kan meer of minder passen bij wat je bent. 
Dat wordt merkbaar in de wisselwerking met de leerlingen.

In alle situaties blijf je afhankelijk van je openheid voor het ongemanifesteerde, c.q. het ongeborene. 
Je techniek, ervaring, enthousiasme blijven daaraan ondergeschikt.
Je weet dus nooit wat er gebeuren zal. 
Behalve het aanleren van een techniek, moet je in staat zijn te volgen wat plaats heeft in jezelf, in de ander, in de omgeving.

 


Het volgen en het sturen 

Het volgen van je adem en in het verlengde daarvan het ervaren van de energie in alle delen van je lichaam is de eerste stap. 
Die eerste stap vraagt veel tijd en bewuste inspanning. 
Pas als je zittend of liggend op elk gewenst moment daartoe kunt komen – het stelt zich op den duur zelfs vanzelf in – zul je ook kunnen sturen, naar wat het moment vraagt. 

 

Alleen in de voortdurende adem-energie ervaring kan je bewuste geest veranderen, c.q. open raken voor het ongeborene, waardoor je wereldse kijk op jezelf en je omgeving verandert. 
Er komt o.a. ruimte voor de ander en de wereld om je heen. 
Je hoeft je niet meer door te zetten, of te bewijzen, omdat je beseft dat de werkelijke verandering vanuit het ongeborene komt, opgemerkt of niet!
 
Het lijkt me dat we ons op dit weekend hiermee bezig moeten houden.
De ervaringen die we in de groepen hebben opgedaan vallen dan vanzelf op hun plaats. 
Door het uitwisselen voor zover het bespreekbaar is, kan ons aandachtsveld verruimd worden.
Dat is geen geringe verrijking.

Mh.


Inleiding voor het begeleidersweekend van 28-30 november 1997 te Maarssen.