Eefde, 20–25 april 1990, maandag

Open blijven terwijl je gericht bezig bent


Gisterenavond werd er een opmerking gemaakt over de wil, een zeer terechte opmerking. Daarin werd benadrukt dat wij aan het begin van iedere actie de wil nodig hebben. En dat hangt met een heleboel samen: hoe die wil gericht is, de intensiteit van die wil, daar hangt het allemaal mee samen.

 

Maar de opmerking heeft mij ook opmerkzaam gemaakt op het feit dat we de zaken ook heel simpel moeten houden. Voor mij zijn aan alle dingen een oneindige reeks verbanden tegelijkertijd aanwezig. Maar wat voor jullie van belang is, dat is het meest simpele voorbeeld om er gewoon in je leven mee om te kunnen gaan.
Die verbanden zijn er en het kost me altijd moeite om ze niet te noemen, omdat ze een perspectief geven naar het grote geheel toe. Maar als je aan het oefenen bent, heb je met een heel vitale eerste werkelijkheid te maken. Dat is hoe je verder kunt. En hoe je misschien iets minder fouten maakt, iets minder zijpaden bewandelt, als je ergens op attent gemaakt hebt.

Dat met de wil is een heel delicaat onderwerp. Want die wil kan, en dat doet hij ook heel vaak, je beletten om je bewust te worden. Dat is voor ons, als we aan het oefenen zijn – of we nou energie-oefeningen doen of adem-oefeningen doen of zitten – ik zou haast zeggen, de spil waar de oefening om draait. Kun je namelijk opmerkzaam blijven. Het is duidelijk, dat hoef ik jullie niet te vertellen, je kunt natuurlijk niet opmerkzaam zijn als je in gedachten zit. Maar dat begrijpen jullie heel goed. Maar dat je door je manier van op te letten jezelf ook de pas afsnijdt, dat is niet zo duidelijk. En dat is waar de meeste ontsporingen plaatshebben: dat je door je gerichte aandacht voor een bepaald facet, het jezelf onmogelijk maakt om op te merken wat tegelijkertijd plaats heeft.

 
Open blijven terwijl je gericht bezig bent