Print
 

De geur van de stille momenten
Huissen, 18–23 december 1991, zaterdagmorgen


We zijn gisteren gebleven bij de beginnende symptomen die zich kunnen voordoen als je probeert om jezelf, zoals je bent, te leren kennen. Hoe je dan kunt opmerken dat je meestal te haastig bent, dat je dus toch een bepaald doel wilt bereiken, en geen echte aandacht hebt voor de mens die je bent.

Het lijkt een beetje vreemd om te zeggen dat je belangstelling moet hebben voor de mens die je bent, want je bent natuurlijk heel veel met jezelf bezig. Maar dat is iets totaal anders, 'met jezelf bezig zijn' is eigenlijk voortdurend reageren op dat hele programma van reacties. Wat hier bedoeld wordt is dat je de mens leert kennen die achter de reacties is.
Dat is natuurlijk niet eenvoudig, je kent jezelf alleen maar van de reacties. Als je je afvraagt: wie is die mens daarachter, dan vraag je eigenlijk: wie is die mens die nog niet gedeformeerd is, wie is die mens zonder programma? Terwijl je natuurlijk normaal altijd en altijd het programma meemaakt.

Het is namelijk goed om te beseffen hoe vluchtig die mens is buiten het programma om. Voor ons gevoel bestaat hij eigenlijk niet meer. Maar hij is er wel, hij is de reden dat we op aarde zijn, en hij is bij ons als we sterven.
Het is eigenlijk vreemd dat die meest innige metgezel in ons leven normaal onzichtbaar blijft; hoe we uitsluitend bezig zijn met de mens die voortdurend vanuit het programma handelt, oordeelt en ook ervaart.
Dat laatste maakt het zo moeilijk: dat hij ook van daaruit ervaart, van daaruit zijn waarde heeft opgebouwd, van daaruit zijn meningen en zijn oordelen heeft opgebouwd.

Als je hem dus wilt leren kennen, dan zul je moeten gaan letten op al die vele kleine dingen waarin die mens zichtbaar wordt: de kleine trekkingen, de kleine pauze in je denken, een kleine afwezigheid zomaar op de dag – waar je normaal aan voorbij gaat, want dat vinden we niet belangrijk.
Maar als je de mens wilt ontdekken achter het programma, dan zul je op al die kleine dingen moeten gaan letten: de versprekingen, het geweld waarmee je die programma-mens probeert door te zetten. Je bent er meestal ook bezorgd over óf hij zich wel door zal zetten.
Zo blijf je in de marge. Als je sterft, heb je misschien maar één of twee momenten gehad dat je echt geleefd hebt, dat je open bent geweest voor alles wat er was.

Dat is natuurlijk toch een vreemd iets, dat je het meest kostbare eigenlijk verkwanselt in een leven wat bedoeld is om volledig te zijn, om alles zoals het is tot je door te laten dringen, niet vervormd door wat je vindt wat er gebeuren moet of wat het zou moeten zijn.
Je moet dus gaan letten op hele kleine nuances. Dat betekent dat je daar de tijd voor moet hebben, je moet het prettig gaan vinden om het zacht naar je toe te laten komen – zacht, dat wil zeggen: zonder dat je het omvormt volgens de normen die je onbewust hebt.
Dat betekent een totaal ander leven. Natuurlijk zijn er de gewone dingen die gebeuren moeten, maar dat zijn dan ook de dingen die gebéuren moeten, dat is niet meer datgene waar jij voor leeft. Dat is het grote onderscheid.

De meesten van ons willen toekomen aan hun verlangens, aan hun lusten, aan hun hartstochten, aan hun idealen. Maar dat is, in verhouding tot die altijd maar onzichtbare mens, eigenlijk allemaal verschrikkelijk onbelangrijk.
Ik weet heel goed dat er een aantal geweldige krachten in ons werken, blinde krachten, waar we aan onderworpen zijn. Maar als dat het meest urgente in ons leven is, dan is er iets mis. Het meest urgente is het meest onzichtbare, dat is – ik heb het wel eens 'de onbekommerde' genoemd, die met ons meereist en onze dwaasheid ziet, maar die toch geduldig wacht tot we hem op zullen merken.
Het gaat dus om het opmerken van die onbekommerde metgezel, die over de dood heen reikt en die zich geleidelijk aan ons toont – als we dus aandacht willen geven aan al die schijnbaar onbelangrijke dingen, waarin die onbekommerde zich eigenlijk probeert te uiten. Dat is als we niet denken, als we alleen maar leeg zijn, wachten, luisteren.

Dat is onopvallend – dat is ook zo moeilijk voor ons: het leven die kant uit is onopvallend. Want het houdt zich bezig met iets totaal anders, iets wat buiten de belangen valt die we allemaal zo goed kennen.
Dat moet je je allemaal goed realiseren. Het is meditatie, en die onbekommerde is niet iets moois in de wereld van het programma. Het is iets totaal anders, het heeft er niets mee te maken. En dat moet je je dus bewust maken.
Wil je dat, zoiets onzichtbaars, zoiets vluchtigs, ongrijpbaars, wil je dat echt wel?
Dat is geen retorische vraag, die vraag moet je jezelf stellen, want anders loop je achter iets aan wat het niet is. Het is niet de kroon op het leven wat we leven, het is iets totaal anders. En daarom, omdat het iets totaal anders is, kan het in geen van de categorieën gevangen worden die we kennen, ook niet binnen de religieuze categorieën. Het valt er allemaal buiten.

Dat moet je je natuurlijk goed realiseren, dat als je daaraan aandacht geeft, als je daaraan je leven geeft, je gezien vanuit het gewone gedoe alleen komt te staan.
Dat heeft er allemaal mee te maken. En je wordt niet gewaardeerd daarom. Je wordt gewaardeerd voor je capaciteiten, voor wat je voor elkaar kunt brengen. Maar dit, die lange, lange, eenzame weg, wordt je niet in dank afgenomen. Dat moet je weten, zodat je helder tegenover jezelf komt te staan, zodat het niet iets is wat toch wel een beetje bij het programma hoort.

Dus die vraag aan jezelf is heel belangrijk. Want niemand dan jij alleen weet of je dat leven wílt leven en kúnt leven. Er is niemand die dat kan beoordelen, dus je hebt nergens steun, je bent helemaal op jezelf. Hooguit ontmoet je mensen die op dezelfde manier bezig zijn. Dat is geweldig. Maar het blijft jouw eigen opgaaf, het blijft jouw eigen leven, het blijft jouw eigen verantwoording, en het blijft jouw eigen eenzaamheid.
Als dat allemaal heel helder voor je is – en je niet zomaar eventjes op een middag vaststelt dat je dat toch wel graag wilt, maar daar eens echt op ingaat en geen tijdslimiet aan stelt – dan denk ik dat het bijzonder zinvol is dat je het probeert. Wetende dat de uitslag onbekend is en dat je als enige aanduiding hebt al die kleine, kleine dingen, die zachte en stille dingen in je leven die daarnaar verwijzen. Die kant in jezelf die je zonder moeite, zonder grote woorden, weghaalt uit de kermis waar je instaat en die je op jezelf stelt. Zodat je je adem weer kunt voelen, je lichaam kunt voelen. En de regen en de wind en de zon en de maan en de sterren weer echte betekenis voor je krijgen, en je ongehaast daartussen bent. En naderhand, als je weer terug bent in het programma, het niet zenuwachtig probeert terug te vinden, want dat kan niet. Maar de geur van die stille momenten in je hart draagt, en zo je leven leeft.

De geur van de stille momenten