Print
 

Midden in het lawaai de stilte vernemen
Huissen, 3-8 april 1992, zaterdag


De leegte, die de ongedeelde volheid is, laat zich uitnodigen noch verwachten. En leegte en stilte horen bij elkaar.
Wat mogelijk is, is het lawaai in jezelf te vernemen, het lawaai wat ons altijd begeleidt. We weten dat dat lawaai: onze gedachten en onze gevoelens, niet weg te zetten zijn.


Wij kunnen, behalve dat we het horen en ons ervan bewust zijn dat het er is, ons er wel in verdiepen. In die zin, dat we het leren kennen, dat we het karakter, de hevigheid, de haast en het verweer leren kennen.
Dat vraagt hele grote aandacht. En het vraagt, daaraan voorafgaand, dat wij dat van belang vinden.
Dat zeg ik nu zo in één zinnetje, maar het is buitengewoon belangrijk om voor jezelf na te gaan of je dat echt van belang vindt. Of dat je eigenlijk íets wilt bereiken. 

Want er is heel veel, waarvan wij nog niet weten dat we het bereiken willen. Of heel veel, wat we kwijt willen raken, dat ons hindert.
Die heel vele werkingen in onszelf, maken het onmogelijk om dat wat aangeduid wordt als de leegte, de ongedeelde volheid, gewaar te worden.

Het is dus niet de schoonheid van de natuur, maar dat wat daarachter is; het is niet de warmte van de menselijke relatie, maar dat wat daarachter is; het is niet de veiligheid van het bij elkaar horen, maar waar het eigenlijk vandaan komt. 

Merkwaardig genoeg moeten we eerst leren kennen wat het allemaal niet is. Want alles wat wij kennen, wordt pas werkelijk voor ons door ons bewustzijn. En dat bewustzijn is in duizenden jaren gevormd tot wat het nu is, en daarmee leven we, daarmee oordelen we, daarmee ervaren we.
Maar om wezenlijk te ontdekken dat dat zo ís, en dat je daar dus vanuit dát bewustzijn dan geen vragen over kunt stellen, vraagt een grote intensiteit.
Die intensiteit is gevestigd in het simpele, in de eenvoud, in de karigheid, in het onversierde. In dat wat geen vervolg heeft. En waarvan het begin ligt in het moment, dat je het opmerkt – het was er allang, maar voor jou begint het dan.

Dat is waar mensen zich, al die duizenden jaren dat ze geleefd hebben, mee bezig gehouden hebben. Al diegenen die dat deden, merkten dat ze zich níet bezig moesten houden, dat ze alleen maar aandacht konden hebben. Aandacht en … geduld – niet in de betekenis die wij er meestal aan hechten, maar geduld wat gebaseerd is op een vermoeden. Waarvan je dan ook weet dat het moment, dat het ingelost wordt, onbekend is. En dat dat is zoals het moet zijn.
Want anders was het toch weer van die kleine mens, die zich ergens voor inspant, en die niet bereid is om te wachten op iets, waarvan hij niet eens kan beseffen wat het is.
Het enige wat ter beschikking is, zijn al die dingen die hij weet en die hem afleiden van wat wij de leegte noemen. 

Toch is dat hetgeen waar het om gaat, dat heen reikt over dat voorbijgaande leven, wat wij allemaal leven; wat we misschien nog enkele tientallen jaren kunnen verlengen – met alle rampen die daaraan vastzitten – maar dat het toch het eind is. En dat is ook het eind van het lawaai. 

Maar wat degene die mediteert, vermoedt, is dat het niet nodig is om te wachten tot dat onvermijdelijke eind ingrijpt in het lawaai, maar dat we, midden in het lawaai, de stilte vernemen.
Dat betekent eigenlijk dat we onafgebroken kunnen luisteren naar het lawaai, zonder het weg te zetten, zonder het te veroordelen. In die aandacht kan ons bewustzijn stil worden.

Er zijn vele factoren die daar een rol in spelen. Maar het allerbelangrijkste is, dat je beseft dat het gaat om onvoorwaardelijk bereid zijn om alles te vernemen, anders kan er niets gebeuren – zólang, tot het vanzelf zijn plek vindt. En jijzelf vrij bent om te merken dat die plek voorlopig was, dat jij van alle tijden bent, van alle ruimte – ondanks het feit dat je dit ene leven natúúrlijk zult beëindigen.

Midden in het lawaai de stilte vernemen