Huissen, 18-23 december 1992, zondag

 

Een oude belofte


Vanochtend tijdens de eerste meditatie,

toen de wind zo klaaglijk om het klooster trok

om ons te herinneren aan een oude belofte

die we nog altijd moeten inlossen,

leek het net alsof het hele gebeuren hier

naar een hele diepe bodem zonk, een grote oceaan,

waar de wieren langzaam wuiven op de onderstroom,

met een gevoel alsof het al alle eeuwen heeft plaatsgehad

en het nooit zal ophouden zo te zijn zoals het is.

En daaronder was het klooster en het nijvere stadje Huissen,

waar de mensen net als mieren bezig zijn met het eerstvolgende,

elkaar voortdurend boodschappen brengen met hun voelsprieten

dat om de hoek iets gebeurt waar iets aan gebeuren moet.

En het ontgaat ze waar ze in gevangen zijn,

en waar ze toe behoren en in ingebed zijn.

 

En ik dacht, dat is wat in ons leven steeds plaatsheeft:

dat we in die tijdloze wereld

een eigen wereld ingebouwd hebben,

een wereld boordevol met wat er allemaal gebeuren moet.

Het merkwaardige is, hoe meer er gebeurt,

hoe meer er ook gebeuren móet.

Je kunt het bij jezelf heel goed nagaan,

je krijgt brieven, en als je die onmiddellijk beantwoord

krijg je nieuwe brieven, en je krijgt meer brieven.

Dat is een proces wat steeds verder gaat...

totdat je het op een keer in de gaten krijgt

en je afvraagt waar je mee bezig bent –

als je niet in jezelf voelt dat er een antwoord ligt

dat veel verder reikt

dan de vragen en belevenissen die van buiten op je afkomen.

 

Dat van buiten heeft natuurlijk te maken met je leven,

en daarin heb je dingen in te doen.

Maar als er niet tegelijkertijd het besef is

dat je behoort tot die andere wereld waaruit je gekomen bent,

dan is je antwoord van hetzelfde gehalte als de vragen die je krijgt.

Want het is een voortzetting van een eender proces.

Dat kun je slim doen en dat kun je traag doen,

dat kun je van harte doen of met tegenzin,

maar het blijft van hetzelfde –

het mag niet rusten als het bij je binnenkomt,

rusten om tot zichzelf te komen.

Zodat jij het niet hoeft te doen,

en het antwoord zich aan je openbaart

voordat je het doorgeeft,

en je geen doorgeefluik bent voor die reactie erop.

 

Natuurlijk heb je een reactie bij alles wat zich voordoet.

Maar dat is iets wat al klaar ligt,

het is als het ware geconserveerd,

je trekt het blikje open en … pfoetsj, daar is het.

Maar het heeft geen gelegenheid gehad

om zich in jou te leren kennen,

om de vertakkingen te beseffen:

om dus levend te worden.

Die vraag die afgescheiden was uit het leven

moet gelegenheid krijgen om tot wasdom te komen.

Dat betekent een hele bewuste daad van jezelf:

de daad van laten.

Dat is niet passief

– in ons spraakgebruik is dat passief –

het is hoogst actief

als je het bewust doet,

als je bewust denkt: ‘ik laat het liggen’,

als je beseft dat het beantwoorden

niet alleen een mentale kwestie is,

maar ook een kwestie van het hart –

in de snelheid van de mentale oplossing

kan het hart er niet inkomen.

 

Als iemand in een gesprek je iets vraagt,

vraagt hij je – zelfs al nodigt de vraag uit om een koele analyse –

eigenlijk om die warmte waarin je antwoord levend is.

Zodat het niet alleen iets is wat hij onthouden kan,

maar iets wat hij in zijn eigen leven mee kan nemen,

niet als een last,

maar als een stille achtergrond

die zijn leven zonder moedwil verandert.

 

Veel van die boeken met spirituele recepten

nodigen je uit op zo’n manier je zaken op te lossen:

optimistisch, met vertrouwen.

Ze zijn een soort evangelie waar je beter van kunt worden,

maar hebben jou niet op het oog,

ze reiken niet tot dat gebied waar je het niet weet,

waar je afwachtend bent,

waar je inziet: ik kan er misschien inkomen

als ik besef waar het om gaat.

Ik besef dat het gaat om mijn totaliteit –

dat is niet alléén mijn denken en voelen,

maar ook mijn lichamelijk welbevinden

en ook datgene wat je wel aan kunt duiden,

maar niet kunt benoemen.

Dat laatste vooral.

 

Het lijkt wel of de wereld hieraan steeds armer wordt,

juist met die geweldige stroom van optimistische spirituele lectuur,

soms heel knap, waar alles goed uiteengezet wordt.

Als je dan niet dat orgaan in jezelf bezit,

dan stel je je daarmee tevreden,

je bent zelfs geneigd dat ook weer te propageren.

Zo draait de machine door – zonder dat je voelt dat er iets ontbreekt,

iets wat in negatieve zin klaagt om de muren van je leven,

en in positieve zin net die stemming is,

waarin alles waar je mee bezig bent

plotseling zijn vergankelijke betekenis krijgt.

Terwijl je ook ontdekt dat het niet helemaal vergankelijk is,

het is ook iets anders:

een late geur van een bloem die sterft,

een herinnering aan vanwaar het kwam en waar het naartoe gaat.

Dat maakt het leven dat je dag aan dag leeft van een grote betekenis,

en doet de vraag in jezelf levend worden of in dat bezige leven,

waarin zich al veel meer aandient dan je aankunt,

door jou plek gemaakt is voor dat andere,

waarin het eigenlijk ingebed is, maar wat je zo vaak vergeet.

 

Dat is meditatie – als het goed is,

als het niet verzandt in alleen maar oefenen,

als het niet verzandt in alleen maar formules,

als je niet, voordat je mag gaan mediteren,

eerst moet voldoen aan een aantal verworvenheden –

als je echt gaat beseffen dat oefeningen er alleen maar voor zijn

om het je makkelijker te maken dat diepe besef levend te houden.

 
Een oude belofte