Print
 

Het besef van de grote illusie
Huissen, 7–14 juli 1995, dinsdag


Hoe meer dat besef tot je doordringt dat je voor het grootste gedeelte in een illusie leeft, hoe meer je beseft dat er in jouw leven een geweldige ommezwaai noodzakelijk is. Je weet geleidelijk aan uit ervaring dat je die ommezwaai niet wilsmatig kunt maken, je kunt het zich alleen laten voltrekken.
In die uitspraak, dat het zich alleen maar in je kan voltrekken, zit al besloten dat je het krijgt, dat het in jou gebeurt, maar niet door jou. Maar het kan niet gebeuren als jij er geen aandacht aan geeft – en dat betekent in dit geval dat je het niet beseft.

Je zult merken dat je het verstrijken van de tijd, wat aldoor plaatsheeft, anders gaat ervaren. Zaken die normaal snel gingen, gaan langzamer, en langzame zaken gaan sneller. Dat komt omdat je aandacht verschoven is. En dat maakt weer dat je nog meer dan voordien gaat beseffen dat je veel klokketijd zult moeten geven aan dat tot je door laten dringen. In het begin moet je je daartoe zetten, omdat je nog helemaal opgenomen bent in dat voorlopige leven van geboorte tot dood, waar we geloven – en dat doet de hele maatschappij en de hele cultuur, alles om je heen – dat alles in een bepaalde snelheid moet. Maar je gaat langzaam beseffen dat dat maar een stukje is van jouw leven, en dat in dat andere stuk, wat steeds werkelijker voor je wordt, een totaal ander tijdsgevoel ontstaat.
Dat is heel merkwaardig, dat er een soort innerlijke klok in je zichtbaar wordt. Die innerlijke klok geeft aan hoe ver je doorgedrongen bent in dat andere, en maant je steeds meer om aandacht te geven aan die ommekeer, die zich alleen maar kan voltrekken als jij er aandacht aan geeft, ondanks het feit dat het in jou voltrokken wordt en niet door jou.

Dat maakt dat je leven, dat heel erg bepaald was, vanaf het wakker worden tot het slapen gaan, maar ook in je dromen, ruimer wordt.
Dat 'ruimer worden' kan zich op verschillende manieren voordoen. Je kunt het gevoel hebben dat je oneindig veel tijd hebt. Het kan zich ook zo voordoen dat je meer verbanden gaat voelen, meer invloeden gaat opmerken, invloeden die altijd al gewerkt hebben, maar waar je in je beperktheid, in je versmalling, geen verbinding mee kon hebben.
Dat maakt merkwaardigerwijs dat je leven lichter wordt, lichter te dragen. Terwijl je anderzijds steeds meer gaat opmerken – het is paradoxaal, maar zo is het – hoeveel schade je berokkent zonder dat te willen. Alleen is het nu zo dat je daar geen berouw van hebt, dat het alleen een aansporing is om alerter te zijn.

Als ik dat woord 'alerter' gebruik, betekent dat niet de alertheid die wij normaal kennen, daar zit spanning in. Het betekent een alertheid die ziet, tot zich neemt – en dat is dat. Er worden geen resultaten geboekt. En het besef dringt steeds dieper door dat het eigenlijke werk erin bestaat dat je je hierin verdiept, dat je je hier helemaal aan geeft: dat je dus niet meer bezig bent, maar dat je je geeft. Je geeft aan datgene wat gebeuren moet, waarvan je niet weet wat het is. Want het kan heel best zijn dat wat er gebeuren moet helemaal niet zo prettig is. Het kan zijn dat het een groot verdriet is, of pijn, of onmacht. Maar het heeft niet meer die betekenis die het vroeger had. Je beseft dat het blijkbaar nodig is, dat het niet een of andere kwaadaardig inmenging is, erop gericht om jou pijn te doen, maar dat het nodig is om ontslakt te worden, om ontdaan te worden van allerlei aangroeisel en aanslibsel.

Dat heb je tot nu toe niet gekend. Tot nu toe was het altijd zo dat je erop uit was om iets te zijn, wat ook maar: iets te zijn in je eigen ogen, iets te zijn in andermans ogen, iets te zijn in de maatschappij. Nu ga je beseffen dat het eigenlijk gaat om het afpellen – en dat kun je niet eens zelf doen – van alles wat er aan jou niet toe doet. 'Niet toe doet' in de zin van: eigenlijk niet bij jou behorend, bij dat wezen dat van leven tot leven gaat. Terwijl je tevens dankbaarder wordt voor het feit dat je hier mag zijn, dat je getuige mag zijn van wat er allemaal gebeurt, en dat jij de gelegenheid krijgt om daarbij te zijn.
Dat getuige zijn van wat er allemaal gebeurt, maakt tevens geleidelijk aan jouw opgave duidelijk, want jij hebt in dat geheel waar je in staat en waar je van bent, iets te doen. Dat 'iets' wat jij te doen hebt kan geen enkel ander wezen in de wereld doen, alleen maar jij.

In het begin schrik je daarvan, en je beseft hoeveel tijd je verdaan hebt met dat iets zijn wat je niet bent. Maar gelukkig ben je nu zo ruim geworden dat je daar niet over gaat zeuren. Je ziet alleen steeds pragmatischer wat er gebeuren moet. Je begint ook te beseffen dat het feit dat dit je gewordt betekent dat je verder mag gaan, dat het niet afgesneden zal worden – al lijkt het soms dat de concrete werkelijkheid het onmogelijk maakt, al lijkt het soms dat het niet kan.
Maar je hebt in dat beseffen van de grote illusie ook al gemerkt, dat wat niet mogelijk lijkt eigenlijk alleen maar een tekort is aan inzicht, maar dat het, als je dieper erin doordringt, plotseling wel mogelijk is.

Dat hangt samen met het verschuiven van het gevoel voor de tijd. Je gaat een steeds duidelijker besef krijgen dat er zaken van de lange termijn en van de korte termijn zijn. Je gaat niet meer proberen zaken van de lange termijn op te lossen op de manier van de korte termijn, en omgekeerd.

Je gaat beseffen dat je voor het eigenlijke werk een lange adem nodig hebt.
Dat weerspiegelt zich in je gewone, lichamelijke ademhaling. Die wordt langzamer. Je merkt tevens dat die adem die langzamer gaat, jou in staat stelt meer op te merken. Het mooie is dat je daar niets aan hoeft te doen, je hoeft niet tegen jezelf te zeggen 'Ik moet nu langzaam ademen.' Dat gaat vanzelf. Hand in hand met dat besef, regelt die adem zich naar jouw innerlijke werkelijkheid.

Je gaat dan ook beseffen dat de oefeningen die je kunt doen het werk zijn van buiten naar binnen, maar dat je nu toe bent aan andersom: van binnen naar buiten. Dus je houdt je adem niet langzaam, maar je adem is langzaam. En je lichaam, die hele oude vergeten vriend, luistert onmiddellijk. Er is geen seconde tussen, als jouw innerlijke werkelijkheid verandert, verandert je lichaam. Dat gaat heel ver: je smaak verandert, de dingen die je belangrijk vindt veranderen. En het aller geweldigste daaraan is dat je daar niets aan doet: dat gebeurt, aldoor maar gebeurt dat.

Dus op den duur is het ook niet moeilijk om aandacht te geven aan die innerlijke constellatie in jezelf. Je begrijpt dan ook dat dat niet volgens een boek kan, of volgens een leraar; dat het iets is wat zich aan jou moet openbaren. Het kan zich niet aan een ander openbaren, het kan zich alleen aan jou openbaren.

Zo ga je merken dat die schijnbare massaliteit van de wereld, met zijn miljarden mensen, zijn globalisering op allerlei gebieden, behoort tot de ontwikkeling van de evolutie, maar dat die niet geldt voor de mens die naar binnen gaat. De mens die naar binnen gaat raakt thuis in een totaal andere wereld. En die totaal andere wereld is ons aller erfrecht, daar hebben we allemaal recht op, dat kan niemand ons onthouden. We hoeven het alleen maar te ontvangen, innerlijk onze hand open te houden om het te ontvangen. Het wijst vanzelf de weg.
Natuurlijk ga je die weg. En, zoals ik daarnet al zei: pijn, moeite, verdriet, uitputting horen daar bij. Maar je hebt niet meer het gevoel dat het van buiten komt, dat het je aangedaan wordt. Het is nodig voor het proces in jezelf.

Langzaam openbaart zich zo jouw opgave. Dan is het natuurlijk heerlijk als je met mensen kunt zijn die daarmee bezig zijn, dat helpt, dat helpt echt. Natuurlijk merk je dat iedereen die bezig is ook nog zijn eigen kleine particuliere besognes heeft. Daar word je niet boos over, want dat hoort erbij. Je merkt bij jezelf ook hoeveel klein gekriebel er is wat nog gekend wil worden. Dat is ook noodzakelijk, en dat is bij die anderen ook. Dus daar maak je geen stennis over, je drinkt alleen in hoe de anderen bezig zijn.

Soms lijkt het in de maatschappij alsof je in een hele vreemde wereld gekomen bent, waar andere wetten gelden. Maar als je er lang bij stilstaat merk je dat er zelfs daar, waar de mensen niet bewust bezig zijn, sporen van aanwezig zijn. Dat maakt je heel blij. Je gaat merken dat in allerlei kleine dingen hetzelfde oplicht van dat andere. Dan ontstaat daardoor tussen jou en die andere mensen een lichtere verhouding, je krijgt het gevoel 'O ja, dat is het spel waartoe ik behoor, laat ik het goed spelen.'
Dat betekent zeker niet dat je daar somber over doet of met een moeilijk gezicht loopt, dat is de bedoeling niet. Zonder dat je zelf een frons trekt is er al zoveel leed in de wereld, daar hoef je niet nog eens wat bij te doen.

Je bent aan de andere kant ook niet een soort van zendeling. Dat staat ver van je af. Je hebt ook niet het gevoel dat je maar blijheid moet brengen. Je leert maat kennen, verhouding. Dat maakt je leven heel licht. Je kunt soms in een hele benarde situatie opeens iets heel geks binnenkrijgen, en dat neemt de benardheid weg. Dat is allemaal wonderlijk.

Als je dan nagaat wat je eigenlijk alleen maar hoeft te doen, namelijk aandacht geven, dan schrik je. Zo weinig hoef je maar te doen, alleen maar aandacht geven, en alles gebeurt!

Het besef van de grote illusie