Vogelenzang, 11–13 oktober 1996, zondagmorgen

Zoals je een kopje oppakt …

Zoals je leeft, reageer je voortdurend op wat om je heen gebeurt. En zonder dat je het weet heb je normen in jezelf over wat er gebeurt: je bent het er mee eens of je bent het er niet mee eens.

Dat gaat eindeloos door, zo is je leven. We vinden het allemaal heel normaal dat we zo doen. Je vergeet alleen één mens daarbij, en dat ben je zelf.

 

In dat leven wat je leeft, waar je voortdurend reageert op alles wat er gebeurt – en dat doe je volgens bepaalde normen, die je niet beseft – vergeet je wie je bent, vergeet je je afkomst.
Want je komt uit het onbekende, je komt uit datgene wat je nooit kunt vatten, je komt uit datgene wat er altijd is, maar wat je niet beseft. Want je bent bezig aan de toekomst – ook als je niets doet ben je bezig aan de toekomst.
Die toekomst is eigenlijk onbekend.
Maar aan de hand van de normen en de gedachten die je opgepikt hebt, de boeken die je gelezen hebt, de uitspraken die je gehoord hebt, de oefeningen die je gedaan hebt, de verontwaardiging die in je geweest is, de boosheid, het verdriet, de vreugde, het ontdekken en het weer vergeten – in die altijd doorgaande beweging die geen einde neemt, behalve in het moment dat je sterft, vergeet je jezelf. Je verdedigt het een, je keurt het andere af, je streeft ergens naar, je bent teleurgesteld, je bereikt iets, je voelt je macht – en op een bepaald moment wordt je dat weer uit handen geslagen, en je bent teleurgesteld.
Dat is de eindeloze beweging van het worden.

 

Het is goed dat die beweging er is, dat het worden er is, dat de schepping er is, dat er kinderen geboren worden en dat er mensen sterven. Dat is heel goed, het kan niet anders.
Maar jij bent daar in wezen niet van, je bent een uiting van iets anders.
Waar je in leeft is in die uiting, en je bent vergeten dat het een uiting van iets is: het is een uiting van iets wat niet wordt, wat niet groeit, wat niet geboren wordt, wat niet sterft – daarvan ben jij een uiting, en daarvan is de hele wereld een uiting, de hele schepping met alles wat daarin is.
Wat je leest en waarover gesproken wordt, is over die uiting: we vinden iets mooi, we genieten daarvan, en dat is heerlijk; we vinden iemand van wie we heel veel houden, en dat is prachtig; we verliezen mensen die sterven of die weggaan, en dat doet ons verdriet.
Maar daaronder is het eigenlijke, het eigenlijke wat nergens toe behoort, wat een onvoorstelbare macht is, een onpersoonlijke macht: die is van niemand, ook niet van jou – en toch ben jij ervan.
Het is een heel groot raadsel.

 
Zoals je een kopje oppakt