27-27 augustus 2006, zondagmorgen

Ons tijdelijk tehuis

Waar we het nog weinig over gehad hebben is over ons tijdelijk tehuis: over ons lichaam.

Natuurlijk, ook zonder dat we er bewust contact mee hebben, bevinden we ons in ons lichaam en doen we er van allerlei dingen mee, ons hele leven lang. Maar omdat we ons niet bewust zijn van dat tijdelijk tehuis, zijn we met onze aandacht eigenlijk daarbuiten. Terwijl we helemaal niets kunnen als het lichaam niet z’n werk doet. Toch zijn we met onze aandacht bij alles wat buiten gebeurt, wat we nog moeten doen, wat we niet mogen doen, enz.

Waar we ons niet bewust van zijn is dat dat allemaal kan dankzij dat lichaam. We leren natuurlijk langzamerhand wel dat niet alle voedsel even goed is, we leren een beetje wat te kiezen. Maar dat is nog aldoor zonder dat we ons bewust zijn van dat ons lichaam ons daartoe in staat stelt.

 

Dat maakt dat, zonder dat we dat willen, ons lichaam z'n werk slechts moeizaam kan doen. 't Is hooguit als we slapen dat het lichaam de gelegenheid krijgt z'n werk helemaal naar eigen inzichten te doen, dat wil zeggen, om alle energie die we in de dag gespendeerd hebben weer op te laden. Dat is natuurlijk heel jammer, want dan moet dat lichaam dubbel werk doen. Als we ons meer bewust zouden zijn van ons tijdelijk tehuis, dan zou het veel minder moe worden.

 

Dat is in wezen de eerste stap die meditatie je kan brengen, dat je langzamerhand automatisch aandacht gaat geven aan wat je lichaam wil.
Want het lichaam heeft een geweldige taak, het moet zorgen dat je, zolang als je gegeven is, over alles kunt beschikken wat ter beschikking staat. En dat kan het eigenlijk alleen maar als je je van dat lichaam bewust wordt.
Hoe word je je bewust van je lichaam? Het is een oud verhaal, maar het moet telkens weer verteld worden omdat het een noodzakelijke voorwaarde is: dat je langzaam maar zeker leert wat je adem doet. De adem gaat in en uit in een bepaald ritme, dat je langzamerhand leert kennen. En als je op de adem let terwijl je leeft en doet, ga je ook opmerken dat die adem altijd weer reageert op de wijze waarop je iets doet, waarop je je leven leeft. Je gaat opmerken dat je af en toe, als je schrikt of als er iets vervelends gebeurt, je adem inhoudt; je laat hem niet uitstromen en ook niet instromen, je arrêteert, blokkeert hem.
Zo leer je - en dat is uitsluitend een kwestie van het geven van aandacht - om de adem altijd maar rustig te laten inkomen en uitgaan, inkomen en uitgaan, en juist als het moeilijk is hem toch uit te laten stromen.

Ons tijdelijk tehuis