25-27 augustus 2006, zaterdagmorgen

Onvoorwaardelijke liefde

Ik had het gisteren over dat jongetje dat kapot was van het kappen van die boom. Het vervolg van het verhaal is dat ik de oude vertelster, die elke avond bij mijn bedje kwam zitten, daarover vroeg.

“Voordat de boom er was,” vertelde ze me, “was er het beginsel van de boom. En het gaat er maar om dat dat beginsel blijft leven. Als jij echt heel veel van die boom houdt, ook als hij gekapt is, blijft hij in jou leven. En als hij in jou blijft leven, blijft hij helemaal leven.”

 

Dat heb ik toen, zo klein als ik was, heel goed begrepen, dat het erom gaat of je iemand of iets helemaal tot je toelaat. En geen enkele voorwaarde stelt, maar zegt: zoals hij is, heb ik hem lief. Als dat zo is, is het in orde. Dan kan de werkelijkheid van dat iets of die iemand door blijven gaan, ook als de stam afgekapt is of als het lichaam het opgegeven heeft.

 

Dat is een fantastische gegeven, dat we, naar ik hoop, allemaal langzamerhand kunnen gaan beseffen – begrijpen kun je het niet, de wezenlijke dingen kunnen alleen maar beseft worden.
Dát je wil begrijpen is menselijk, zo is de mens, hij wil begrijpen. En dat willen begrijpen is een goed ding, daardoor hebben we de wetenschap, daardoor hebben we de vooruitgang – in het aardse, in het materiële. Maar het geestelijke, het echte geestelijke, heeft zijn eigen wetten. Als je die wetten leert kennen, begrijp je ook hoe ongelofelijk moeilijk het voor je is om ze te eerbiedigen – je kunt ze niet gehoorzamen, je kunt ze alleen eerbiedigen.

 

Als je dat doet: iets of iemand toelaten zonder voorwaarden te stellen, dan krijg je een nieuw leven. Dan ben je eigenlijk – zonder grote woorden – door de poort van de dood gegaan en leef je hier je leven, voor zover je lichaam dat toelaat.

Onvoorwaardelijke liefde