De boom


Het was een lome, hete middag in het Jappenkamp. Het was stil en rustig. Ik stond tegen de boom, schuin voor mijn barak, en voelde zijn bast. Als ik naar boven keek kon ik tot aan zijn kruin zien. Maar ik wist dat ik eigenlijk een plaatje in mijn hersens zag, dat de eerste keer erin was vastgelegd.
Hoe kon wat ik duidelijk voelde van de bast laten samensmelten met de werkelijke boom?
Ik keek naar de blauwe berg, die mij over het prikkeldraad heen zo vaak geholpen had. Maar die scheen met andere dingen bezig te zijn. Ik was op mezelf aangewezen.
Ik herinnerde mij dat ik als kleine jongen op de plantage, overdag met open ogen kon dromen van waar ik naar verlangde.
Ik probeerde dat.
Lang bleef alles hetzelfde totdat ik het opgaf te verlangen.
Ik was heel moe geworden.
Toen gebeurde het dat de bast en de hele boom samen waren, zoals ze vanaf het begin waren geweest. Een begin van heel, heel lang geleden, misschien wel honderd jaar of langer.
De volgende dag was de oude toestand van het niet samen zijn weer terug. Dat was niet erg, ik kon als ik het wilde weer met open ogen dromen. Gek genoeg had ik er geen behoefte aan. Ik wist van de illusie en het je ervan kunnen ontdoen.
Dat heen en weer was een geheim waar je vanaf moest blijven met je denken.