De ongelovige

Dit is het einde, dacht de man. Hij zou boven de rioolgoot van het kamp kunnen hurken om de kramp iets te verlichten, maar hij wist van de uitgeteerde stervenden, die hij in de dodenbarak verpleegde, dat na deze kramp weer een andere zou volgen, en nog een en nog een, tot de laatste, waar je in wegraakte.
De verpleger maakte je schoon van het laatste dat gekomen was en draaide je voorzichtig op je rug, je handen op je buik gevouwen, je ogen voorzichtig toegedrukt, als je ze nog niet zelf gesloten had.

Alleen de oude heilige uit de bergen, die vier maanden naast hem had gelegen, was op zijn eigen tijd, nog gezond, gegaan.
Voor hij ging, had hij de man, die in verhouding heel jong was, gezegd dat niets in het leven overgeslagen kon worden of uitgesteld. Als je je eraan probeerde te onttrekken, ontmoette je het weer, in dit leven of een volgend, zo was het beschikt.

De kramp werd steeds machtiger en had nu ook zijn borst samengetrokken.
De oude vertelbaboe aan zijn bedje zei altijd, als de bewegende schaduwen van het olielampje hem te dreigend insloten:
- Luister verder, je weet niet hoe het afloopt, dat is nog in het verhaal verstopt.
Het jongetje hoorde dan opnieuw het sjirpen van de krekels en soms de droeve roep van een uil onder de sterren, terwijl de wind de schaduwen meenam.
Nu luisterde het jongetje in de man verder.
Hij herinnerde zich van het halve uur in de zon, elke middag, om zich te desinfecteren, dat de blauwe berg hem soms wenkte als hij leeg en verloren naar zijn goedige top keek, waar kleine wolken in een krans heel langzaam omheen bewogen.
Dat er heiningen en wachttorens tussen waren, deed er niet toe.

Soms breidde de berg zich helemaal uit tot de man zodat hij kon worden opgenomen in de liefelijkheid van het ongeborene, als hij daar tenminste naar verlangde, want de berg verplichtte hem nooit.
Hij was er alleen maar in zijn ongedeelde volheid.
Zelfs in deze regennacht zou de berg er zijn en van hem weten, dacht de man, en gaf zichzelf met zijn kramp aan hem over.

Hij stierf niet en kon toen het kamp open ging, de poort uitwandelen met de berg in zijn rug. Hij wist dat hij een ander inwandelde met heiningen die je niet direct zag en wachters die pas optraden als je hun niet voldoende erkende.

Na enkele jaren hoorde hij van een meditatie die de ervaring van het ongeborene als het enig werkelijke erkende. Omdat hij ijverig was, las hij de verslagen van de meesters die erover vertelden en aangaven wat je doen en laten moest.
Onbewust hoopte hij een aanduiding van de liefelijkheid ervan tegen te komen.
Hij vond vastbesloten inspanning, een streng en afgezonderd leven, onoplosbare raadsels en tenslotte een inzicht, dat met een slag alles uitwiste en vernieuwde.
Lange tijd overwoog de man het beschrevene, maar op een ochtend, na een lange wake, vroeg hij de berg hierover, hoewel hij al lang in een ander land leefde.
Over vele zeeën en landen breidde de berg zich uit om hem tot zijn liefelijkheid, die van het ongeborene was, toe te laten.
De man begreep nu dat ieder mens zijn weg in het hart draagt, en dat hij de enige is die deze weg kan gaan.
Hij vertelde ervan aan de anderen die met hem waren en merkte dat zij hem een zonderling vonden, die de aanbevolen gehoorzaamheid, inspanning, discipline en afzondering niet genoeg hoogachtte.

Het was duidelijk dat hij als ongelovige verder moest, met achting voor allen die hem waren voorgegaan op hun manier, al hadden zij niet gemerkt dat ze het voorgeschrevene verlieten toen het ongeborene hen opende.


Maarten Houtman