De vleermuis


De ster knipoogde nog net zo goedig als toen Julie naast hem lag. Dat was nu twee jaar geleden. Omgekomen bij een verkeersongeluk. Op de intensive care had ze nog gezegd: “Dat van ons blijft, kijk maar naar de ster.”
Hij keek nu naar de ster vanuit het dakvenster. Julie had op een ochtend twee jaar geleden op het reclamebureau de prop papier die hij net had weggegooid uit de prullenmand gehaald, gladgestreken en hardop voorgelezen. De anderen hadden even opgekeken en waren toen doorgegaan met hun werk, maar ze was doorgegaan en had aan het eind gezegd dat dit geen reclametekst was maar het verhaal van een schrijver.
Dat, en de woorden op de intensive care hadden hem als schrijver op de been gehouden, maar nu...

Zoiets was ook gebeurd toen hij, zes jaar nog, op zolder een bloedende vleermuis had gevonden, die zijn tandjes ontblootte toen hij dichterbij kwam. Maar hij liet zich toch oppakken, en toen hij van beneden een kopje melk had gehaald dronk ze er gretig van. Ze had hem echt dankbaar aangekeken. Bruine, warme ogen, net als van Julie.
Op den duur konden ze ook met elkaar praten. De kleine vleermuis die intussen gegroeid was kon hem met de schaduw van zijn vleugels helemaal bedekken.
Dat gebeurde nu ook.
Hij zou wel naar de spelonk gaan waar alle vleermuizen naar toe gingen als ze voelden dat ze gauw dood zouden gaan. De schaduw en de ogen van de vleermuis voelden heel warm en thuizig. Hij gaf er zich aan over.
Zo vonden hem in bed, op zijn rug, met gesloten ogen in een gelukkig gezicht.
Vreemd, hij was nog jong en zijn boeken gingen goed.